...because open source matters

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Home Oudduitse herder

Oudduitse herder

  

Oskar is aangesloten bij de Duitse Herder Club Nederland (DHCN) een rasvereniging die hoge eisen stelt aan haar fokkers en fokdieren en de regels handhaaft die gesteld zijn in de fok reglementen. Het doel van onze rasvereniging is vooral om fokkers en liefhebbers van alle Duitse Herdershonden variëteiten tot elkaar te brengen en de kennis van- en liefhebberij voor het ras te bevorderen. Ons fokbeleid, het gezondheidsbeleid en het showen van de (Oud)Duitse Herder is geheel volgens de laatste eisen en regels van het ministerie van EL&I zoals vastgelegd bij de Raad van Beheer. Daarbij streven wij naar een erkenning door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland.

  Ras omschrijving van de Oudduitse Herder

 

KARAKTER

De Duitse herdershond moet in zijn karakter beeld evenwichtig, zenuwvast, zelfverzekerd, absoluut
onbevangen en (zonder prikkeltoestand) volkomen goedaardig zijn. Daarbij is hij opmerkzaam en
handelbaar. Hij moet moed, strijddrift en hardheid bezitten om als geleide-, waak-, verdedigings-,
dienst-, en herdershond geschikt te zijn. Daarbij wordt ook onderschreven het gebruik als
familiehond.

KOP

De kop is wigvormig, in overeenstemming met de lichaamsgrootte (ongeveer 40% van de
schofthoogte), zonder plomp of overstrekt te zijn, in het totaal droog en tussen de oren matig breed.
Het voorhoofd is van voren en van opzij gezien slechts weinig gewelfd en zonder of slechts met zwak
aangeduide middengroef.
De verhouding tussen bovenschedel en gezichtsgedeelte bedraagt 50% - 50%. De breedte van de
bovenschedel komt ongeveer overeen met de lengte van de bovenschedel.
De bovenschedel gaat (van boven gezien) van de oren tot de punt van de neus, gelijkmatig
verkleinend via een schuin verlopende, niet scherp gevormde stop over in het wigvormig verlopende
gezichtsdeel (vang) van de kop. Boven en onderkaak zijn krachtig ontwikkeld. De neusrug is recht,
een dip of welving is niet gewenst.De lippen zijn strak, goed sluitend en van donkere kleur.

NEUS

Deze moet zwart zijn.

GEBIT

Moet krachtig, gezond en volledig zijn (42 tanden volgens de tandformule). De Duitse Herdershond
heeft een schaargebit, dat wil zeggen dat de snijtanden als een schaar in elkaar moeten grijpen,
waarbij de snijtanden van de bovenkaak als een schaar over die van de onderkaak snijden. Tanggebit,
boven voor- en onder voorbijten is foutief, evenals grotere tussenruimtes tussen de tanden
(plaatsing met leemten).
Foutief is eveneens een recht vlak van de snijtanden. De kaakbeenderen moeten krachtig ontwikkeld
zijn opdat de tanden diep in het tandbeen ingeworteld kunnen zijn.

OGEN

De ogen zijn middelgroot, amandelvormig, iets schuin liggend en niet uitpuilend. De kleur van de
ogen moet zo donker mogelijk zijn. Lichte, priemende ogen zijn niet gewenst, aangezien ze afbreuk
doen aan de uitdrukking van de hond.

OREN

De Duitse Herdershond heeft staande oren van middelmatige grootte, die rechtop en gelijk gericht
gedragen worden (niet zijwaarts getrokken). Ze lopen spits uit en zijn met de oorschelp naar voren
gericht. Tip- en hangoren zijn foutief. In beweging of in rusttoestand naar achteren gericht gedragen
oren zijn niet foutief.

HALS

De hals moet krachtig, goed bespierd en zonder losse keelhuid (wammen) zijn. De hoek ten opzichte
van de romp (een horizontale lijn) bedraagt ongeveer 45%.

LICHAAM

De boven belijning verloopt, zonder een zichtbare onderbreking, vanaf de hals aanzet over de goed
ontwikkelde schoft en over de rechte rug tot aan de licht afvallende croupe.
De rug is vast, krachtig en goed bespierd. De croupe moet zonder onderbreking van de boven
belijning overgaan in de staartaanzet.
De lendenen zijn breed, kort krachtig gevormd en goed bespierd.
De borst moet matig breed zijn, de onderborst zo lang mogelijk en uitgesproken. De borstdiepte
moet ongeveer 45 tot 48% van de schofthoogte bedragen. De ribben behoren een matige welving te
tonen, een tonvormige borst is net zo foutief als vlakke ribben.
De staart reikt minstens tot aan het spronggewricht, evenwel niet over het midden van de
achtervoet. Ze is aan de onderzijde iets langer behaard en wordt in een licht afhangende boog
gedragen, waarbij ze in opwinding en bij beweging meer opgeheven gedragen wordt, evenwel niet
boven de ruglijn. Operatieve correcties zijn verboden.

LEDEMATEN

Voorhand

De Duitse Herdershond is een draver. De ledematen moeten in lengte en hoekingen zo op elkaarHUID

 

Achterhand

De plaatsing van de achterpoten is licht terugstaand, waarbij de achterste ledematen
van achteren bezien parallel ten opzichte van elkaar staan. Boven- en onderschenkel zijn van
ongeveer gelijke lengte en vormen een hoek van ongeveer 120%.
De dijen zijn krachtig en goed gespierd. De spronggewrichten zijn krachtig gevormd en vast. De
achtermiddenvoet staat loodrecht onder het spronggewricht.
De voeten/tenen zijn gesloten, licht gewelfd, de zolen hard en van donkere kleur, de nagels krachtig,
gewelfd en eveneens donker van kleur.
De voorste ledematen zijn van alle zijden bezien recht en van voren bezien absoluut parallel.
Schouderblad en opperarmbeen zijn van gelijke lengte en door middel van krachtige bespiering vast
tegen het lichaam gelegen. De hoeking van schouderblad en opperarm bedraagt in het ideale geval
90%, doorgaans tot 110%.
De ellebogen mogen noch in stand noch in de beweging uitgedraaid worden en evenmin naar binnen
qedrukt zijn. De onderarmen zijn van alle zijden bezien recht en absoluut parallel staande ten
opzichte van elkaar, droog en vast bespierd. De voormiddenvoet heeft een lengte van ongeveer
eenderde van de onderarm en heeft een hoeking met deze van ongeveer 20% tot 22%. Zowel een te
schuin staande voormiddenvoet (meer dan 22%) als een te steil staande voormiddenvoet (minder
dan 22%) beïnvloeden de gebruiksgeschiktheid, in het bijzonder het uithoudingsvermogen.
De poten zijn rond, goed gesloten en gewelfd. De voetzolen zijn hard maar niet bros. De nagels zijn
krachtig en van donkere kleur.

  

GROOTTE EN GEWICHT

FOUTEN

Iedere afwijking van de in de voorgaande genoemde punten, moet als fout aangemerkt worden,
waarbij de waardering in juiste verhouding met de graad van de afwijking behoort te staan.

ERNSTIGE FOUTEN

Afwijkingen van de voorgenoemde raspunten, welke de gebruiksgeschiktheid benadelen.
Oorfouten: Zijwaartse te diep aangezette oren, tiporen, te eng naar binnen gestelde oren
(Schildspanner), niet vaste oren.
Ernstige pigmentfouten.
Ernstige nalatende vastheid van het gehele lichaam.
Tandfouten: Alle afwijkingen van het schaargebit en de tandformule, voorzover het niet om
uitsluitende fouten (zie onderstaand) gaat.
Sterk aflopende rug

UITSLUITENDE FOUTEN

Karakterzwakke, bijterige en zenuwzwakke honden.
 

 

Reuen: schofthoogte 60 tot 68 cm. gewicht 35 tot 50 kg.
Teven: schofthoogte 55 tot 63 cm. gewicht 25 tot 40 kg.
afgestemd zijn dat zij, zonder wezenlijke verandering van de rugbelijning, de achterhand tot aan de
romp verplaatsen kunnen en met de voorhand net zo ver kunnen uitgrijpen.
Iedere neiging tot overhoeking van de achterhand vermindert de vastheid en het
uithoudingsvermogen en daarmee de gebruikswaarde. Bij correcte verhoudingen in de bouw en
hoekingen is een ruim uitgrijpend, vlak over de bodem gaand gangwerk mogelijk, dat de indruk geeft
van voorwaarts gerichte, moeiteloze bewegingen. Bij een naar voren geschoven hoofd en licht
opgeheven staart ziet men bij een gelijkmatige en rustige draf een vanaf de oorpunten over de nek
en de rug tot aan de punt van de staart licht gebogen en niet onderbroken rugbelijning.

De huid is (los) aanliggend zonder evenwel plooien te vormen.

BEHARING

Het dekhaar is lang, zacht en niet vast aanliggend, met waaiers/pluimen aan oren en benen, vol
behaarde broek en zeer vol behaarde staart naar beneden waaiervormig. Aan het hoofd met daarbij
inbegrepen de binnenkant van oren en de voorkant van de ledematen, aan de benen en tenen kort.
Maar aan de hals langer en sterker behaard, daarbij nagenoeg manen vormend. Aan de achterkant
van de benen wordt het haar langer tot aan het middenvoorvoet gewricht respectievelijk het
spronggewricht en vormt aan de achterkant van de dijen een duidelijke volle broek.

KLEUREN

Zwart met roodbruine, bruine, gele tot helgrauwe aftekening, éénkleurig zwart en blauw en grauw,

 

bij grauw donker gewolkt, zwart zadel en masker. Onopvallende, kleine witte borstvlekken evenals
zeer lichte binnenzijde zijn toegelaten maar niet gewenst. De neusspiegel moet bij alle kleurslagen
zwart zijn.
Ontbrekend masker, lichte tot priemende oogkleur evenals lichte tot witachtige aftekening aan borst
en binnenzijden, lichte nagels en rode staartpunt duiden op pigmentzwakte. De onderwol vertoont
een lichte grauwe tint. De kleur wit is niet toegelaten.